Houtbouw op een degelijke schaal komt per definitie voort uit prefabricage in een industriële omgeving. Dit productieproces, gekenmerkt door repetitie, doet eerder denken aan standaardisatie dan aan ambachtelijkheid. Zonder in stereotypen te willen vervallen, lijkt houtbouw daarom beter te aarden in de Nederlandse orde dan in de Belgische jungle.
Maar ligt de toekomst van houtbouw écht vooral in gebouwen waarin de afmetingen van een oplegger nog herkenbaar zijn en waarin het bouwmateriaal zelf moeilijk leesbaar wordt? Hout biedt immers relatief veel mogelijkheden om ook complexe structuren te realiseren. Als je het mij vraagt, zijn we het onszelf verplicht om onze ambachtelijke kennis en creativiteit in balans te houden met de efficiëntie en het rendement van industriële prefabricage. Niet dat ik tegen gebouwen ben met een duidelijk leesbaar ritme, maar ik geloof in een prefab bouwmethode die ruimte blijft bieden aan vakmanschap en maatwerk, telkens in functie van het ontwerp, het programma en het budget.
Dat vakmanschap zit niet noodzakelijk in het handwerk, maar vooral in de kennis en creativiteit waarmee we voor elk ontwerp de juiste oplossing zoeken. Waarom zouden we bijvoorbeeld vasthouden aan een rechthoekig gebouw wanneer een trapeziumvorm beter op het perceel aansluit? De afmetingen van de lijmpers en CNC-machine bepalen weliswaar hoe groot een houten bouwelement maximaal mag zijn, maar niet welke vorm het moet hebben. Ook schuine zijden en uitsparingen zijn perfect mogelijk. Door vooraf slim te bepalen hoe we de verschillende onderdelen uit het hout halen, beperken we bovendien het materiaalverlies en hoeven afwijkende vormen niet noodzakelijk veel meer te kosten. Voor een vlotte montage op de werf zijn vooral een nauwkeurige maatvoering en een goede voorbereiding belangrijk.
Diezelfde denkwijze moeten we doortrekken naar de materiaalkeuze. Natuurlijk is het eenvoudiger om alle houten bouwelementen bij één leverancier te bestellen of in één fabriek te produceren. Maar dat betekent niet dat het ook de beste oplossing is. Willen we houtbouw verder laten groeien, dan moeten we kritisch kijken naar waar en hoe we hout inzetten. Soms levert een combinatie van houtskeletbouw (HSB), kruislaaghout (CLT), gelamineerd fineerhout (LVL), gelamineerd hout (GL) en andere bouwmaterialen een beter resultaat op dan één bouwsysteem. Dat vraagt misschien meer coördinatie en een complexere logistiek, maar die extra inspanning weegt voor mij niet op tegen de voordelen van een doordacht materiaalgebruik. Het juiste materiaal op de juiste plaats: dat is essentieel om houtbouw ook op lange termijn relevant te houden.
Niet alleen bij de vormgeving en productie, maar ook bij de constructieve berekeningen laten we soms mogelijkheden van hout onbenut. Er bestaan vandaag heel wat toegankelijke rekentools om houten constructies te dimensioneren. Toch mogen we ons niet beperken tot vereenvoudigde berekeningen waarbij we een gebouw hoofdzakelijk als een geheel van afzonderlijke balken en kolommen beschouwen. Bij CLT schuilt een belangrijk deel van de constructieve meerwaarde juist in de plaatwerking: de manier waarop de panelen belastingen in meerdere richtingen opnemen en onderling samenwerken. Door ook het driedimensionale gedrag van de volledige constructie te onderzoeken, benutten we die eigenschappen beter. Dat vraagt meer tijd, overleg en gespecialiseerde kennis, maar kan leiden tot minder materiaalgebruik en slankere constructies.
Ook bij verbindingen mogen vertrouwde oplossingen geen automatisme worden. Een zichtbare stalen schoen met bouten is een beproefd detail, maar voldoet niet noodzakelijk aan elke architecturale wens of technische eis, bijvoorbeeld op het vlak van brandweerstand. Waarom zouden we dan niet vaker kiezen voor verbindingen die specifiek op het project zijn afgestemd? Die kunnen zichtbaar blijven of juist volledig in de houtconstructie verdwijnen. Dankzij de precisie van machinale houtbewerking hoeft een verfijnder detail bovendien niet altijd veel ingewikkelder te zijn om te produceren.
Daarnaast biedt hout mogelijkheden om verschillende bouwfuncties in één element te verenigen. De schrijnwerker houdt zich immers niet alleen bezig met draagconstructies, maar ook met ramen, deuren, gevelbekledingen en interieurafwerking. Die brede materiaalkennis biedt kansen om verder te kijken dan de gebruikelijke scheiding tussen ruwbouw en afwerking. Zo kan een gelamineerde houten kolom niet alleen een dragende functie vervullen, maar tegelijk dienstdoen als raamstijl van een glazen vliesgevel of als ondersteuning voor een zichtbare roostering. Niet elk raam hoeft dus in een afzonderlijke ruwbouwopening te zitten en niet elk constructief element vraagt om een bijkomende afwerking. Met de juiste detaillering en het nodige vakmanschap kunnen we verschillende functies combineren in één doordachte oplossing.
Ook op het vlak van afwerking mogen we ambitieuzer zijn. Tijdens de montage staan houten bouwelementen vaak bloot aan weer en wind, met het risico op vochtproblemen en verkleuringen. Maar dat betekent niet dat we het hout nadien maar beter achter andere materialen verbergen. Integendeel, als we hout zichtbaar willen laten in onze gebouwen, moeten we al tijdens het ontwerp en de uitvoering voldoende aandacht besteden aan vochtbeheer, bescherming en afwerking. Die aspecten verdienen meer dan een terloopse vermelding in het lastenboek. Door er bewuster mee om te gaan, kunnen we de kwaliteit en uitstraling van zichtbare houtconstructies verder verbeteren.
Kortom, laten we houtbouw niet reduceren tot een zo efficiënt mogelijk industrieel product. We moeten de voordelen van prefabricage volop benutten, zonder het maatwerk en de creativiteit uit het oog te verliezen die eigen zijn aan het vak. De toekomst van houtbouw ligt voor mij niet in steeds verdergaande standaardisatie, maar in een doordachte combinatie van vakmanschap, engineering en industriële productie.
Dat vraagt samenwerking, vanaf de eerste schets. Tussen opdrachtgevers, ontwerpers, ingenieurs en uitvoerders. Want juist wanneer al die disciplines hun kennis en expertise samenbrengen, ontstaat een gebouw dat meer is dan de som van zijn onderdelen.
Hannes Dewaepenaere ontving De Houten Pen van Bart Callewaert, projectingenieur en hoofd studiebureau bij Korlam. Hij is verantwoordelijk voor studie en uitvoering bij Decleir Houtconstructies. Dat bedrijf is gespecialiseerd in het bouwen van geïsoleerde houtconstructies en is partner van Raemen, Unicus, HomeQue en Takk Team.