Cross Laminated Timber (CLT) heeft de voorbije jaren een stevige plaats veroverd in de Belgische bouwsector. De voordelen zijn bekend: het materiaal kan CO2 opslaan en maakt prefabricatie en een snelle uitvoering op de werf – door die prefabricatie en het feit dat je met CLT droog kan bouwen – mogelijk. De blootstelling aan vocht blijft evenwel een van de belangrijkste aandachtspunten bij het gebruik van CLT. Maar het is ook niet meer dan dat. Ook staal en beton kennen bepaalde materiaalspecifieke aandachtspunten: beton moet uitharden en staal moet beschermd worden tegen corrosie.
In de praktijk doen de grootste uitdagingen zich voor tijdens de werffase: tijdelijke blootstelling aan regen, onvoldoende bescherming van aansluitingen of een gebrek aan aandacht voor uitdroging kunnen tot verhoogde vochtgehaltes in de houten constructie leiden. Het is zoals gezegd evenwel perfect mogelijk die risico’s correct in te schatten en te beheersen.
Kennis van het gebruikte hout is daarbij wel cruciaal. In gesprekken met aannemers en architecten stel ik bijvoorbeeld vaak de vraag of vochtmetingen in de diepte van het paneel worden uitgevoerd. Vaak krijg ik dan het trotse antwoord “Ja, op een diepte van 4 centimeter!”. Dat antwoord zegt op zich weinig. De diepte waarop vochtmetingen uitgevoerd moeten worden, hangt namelijk af van de dikte van het paneel en vooral van de oriëntatie van de houtvezels in de verschillende lamella. Concreet voer je bij een vijflagig wandpaneel best metingen uit in de buitenste lagen en de middelste – de tweede en de vierde laag nemen typisch minder gemakkelijk vocht op. Vocht meten is dus niet alleen een kwestie van meten, maar vooral van weten waar je moet meten.
Naast kennis van het materiaal is ook een juiste detaillering uitermate belangrijk om een houten gebouwstructuur tijdens de levensduur gezond te houden. De vraag is daarbij niet hoe we vermijden dat hout nat wordt – dat is in de praktijk vaak onrealistisch – maar hoe we een constructie zo ontwerpen dat ze na een tijdelijke vochtbelasting opnieuw kan uitdrogen. Dampopen isolatiematerialen, vaak biogebaseerd en dus ook met een lagere milieu-impact, ondersteunen dat uitdrogingsvermogen beter dan dampdichte oplossingen.
Als onderzoeker en docent zie ik een duidelijke evolutie in de Belgische houtbouwsector. De interesse van studenten in houtbouw en biogebaseerde materialen groeit sterk. Dat is positief, maar vraagt dus ook kennis. Wie met hout bouwt, moet begrijpen hoe materialen samenwerken en hoe ontwerpkeuzes prestaties bepalen. Dat betekent aandacht voor vochttransport, correcte uitvoering en duidelijke procedures op de werf.
De toekomst van houtbouw in België zal dan ook niet bepaald worden door de vraag óf CLT-bouw en andere houtbouwsystemen geschikt zijn om hier toe te passen. De echte uitdaging is hoe we de prestaties voorspelbaar maken onder Belgische klimaatomstandigheden. Want, en ik val in herhaling, duurzame bouw draait niet alleen om materiaalkeuze, maar om de kennis waarmee we het toepassen.
Anke Blommaert ontving De Houten Pen van Lode Goethals, bestuurder bij BAST architects & engineers. Ze is teaching assistent en doctoraatsonderzoeker aan de faculteit Ingenieurswetenschappen en Architectuur van de Universiteit Gent. Haar onderzoek richt zich op de duurzaamheid van houten structuren zoals houtskeletbouw en CLT gecombineerd met biogebaseerde isolatiematerialen.