Bart Vanden Driessche (BLAF architecten) en Dries Hubrechts (Eurabo): “Wie hout vandaag niet overweegt als bouwmateriaal, is verkeerd bezig” (deel 1)

  • Bart Vanden Driessche (l.) en Dries Hubrechts.

Kunnen jullie jezelf kort even voorstellen? Wat heeft jullie geïnspireerd om te gaan doen wat jullie doen?

Dries Hubrechts: “Ik ben industrieel ingenieur bouwkunde en werk ondertussen meer dan vijftien jaar bij Eurabo, waar ik insta voor de inkoop en een deel van de verkoop. We bieden houtbouwoplossingen aan aannemers aan, maar vinden het minstens even belangrijk om kennis te delen met voorschrijvers en studenten. Zo willen we houtbouw en het gebruik van biogebaseerde isolatiematerialen verder helpen doorbreken.”

“Mijn interesse daarin gaat ver terug. Toen ik zestien was, nam ik al deel aan een klimaatmars in Brussel. We stonden daar toen met amper tweehonderd mensen om aandacht te vragen voor de klimaatverandering. Die bezorgdheid om onze milieu-impact is altijd gebleven. Na mijn opleiding tot industrieel ingenieur bouwkunde was het voor mij dan ook vrij evident dat ik iets met houtbouw wilde doen. De bouwsector heeft immers een verpletterende verantwoordelijkheid als het over milieu-impact gaat.”

Bart Vanden Driessche: “Ik ben ondertussen meer dan 25 jaar architect en ben vrijwel meteen met houtbouw gestart. Mijn vader was meubelmaker en schrijnwerker en had thuis zijn atelier. De geur van hout betekent voor mij letterlijk thuiskomen. Mijn keuze voor hout was aanvankelijk dus eerder sentimenteel en gevoelsmatig dan technisch of ecologisch.”

“Tijdens mijn architectuuropleiding kwam hout nauwelijks aan bod en over klimaat spraken we toen evenmin veel. Toch koos ik voor mijn stage bewust een van de weinige architecten die al met hout werkte. Met BLAF architecten, dat ik daarna oprichtte, bouwden we onze eerste nieuwbouwwoningen in hout, toen zelfs zonder ingenieur omdat we er simpelweg geen vonden met de juiste kennis. Die woningen staan er twintig jaar later nog altijd. Het klimaatargument is pas later bij mijn motivatie gekomen. Intussen geef ik zelf les in de masteropleiding architectuur aan de KU Leuven en het postgraduaat circulair bouwen aan de UGent en geef ik wereldwijd lezingen over ons werk.


Jullie kenden elkaar voor dit cubbelinterview al. Hoe kruisten jullie wegen?

Dries Hubrechts: “Een aantal aannemers die klant zijn bij Eurabo realiseerden al ontwerpen van BLAF architecten. Daarnaast komen Bart en ik elkaar geregeld tegen op lezingen en andere momenten waarop kennis over duurzaam bouwen wordt gedeeld. Bart is met zijn masterstudenten architectuur ook al bij Eurabo op bedrijfsbezoek geweest. Bijbehorend geven wij dan een gastcollege over onze visie op circulariteit, houtbouw en milieu-impact. Dan doen we ook aan andere universiteiten en hogescholen.”

Bart Vanden Driessche: “Die momenten van kennisuitwisseling zijn belangrijk. Als architect steek je veel tijd in onderzoek, ook al vragen opdrachtgevers daar niet altijd expliciet om. Maar je kunt niet alles zelf doen. Daarom is het waardevol dat mensen als Dries vanuit hun expertise bepaalde ideeën verder uitwerken en in de praktijk brengen. Ik herinner me bijvoorbeeld gesprekken met Dries over het opnieuw inzetten van lokaal populierhout. Als architect hoop je dat zoiets gebeurt, maar je neemt zelf niet altijd het initiatief om zo'n keten op gang te brengen.”


Bart, ontwerpt BLAF architecten uitsluitend in hout?

Bart Vanden Driessche: “Nee, integendeel, eigenlijk nog veel te weinig. Zeker bij grotere projecten bots je vandaag nog regelmatig op de grenzen van houtbouw.”

“Ik geloof enorm in hout, maar nog meer in hybride bouwen. Niet alles hoeft in hout te gebeuren. Je moet elk materiaal inzetten waar het het meest tot zijn recht komt.”


Welke projecten beschouw je zelf als belangrijke referenties voor BLAF architecten, Bart?

Bart Vanden Driessche: “Misschien zijn onze eerste houten woningen nog altijd de belangrijkste referentieprojecten. Twintig jaar geleden bewezen dat soort projecten dat het überhaupt mogelijk was om kwalitatief in hout te bouwen.”

“Later realiseerden we onder meer de zogeheten dnA-woning in Asse, een mooi voorbeeld van dat hybride bouwen. Met dat project, waarin we hout en ecologische isolatiematerialen aan de binnenzijde van de massieve buitenschil toepasten, wilden we aantonen dat isoleren aan de buitenzijde niet altijd de beste oplossing is. Aan de binnenzijde zijn die materialen minder blootgesteld aan weersinvloeden en kun je ze efficiënter inzetten. Dat project toont dus mooi wat ik al zei: het gaat erom hout op de juiste plaats en zo efficiënt mogelijk toe te passen, niet om zoveel mogelijk hout te gebruiken.” 

“Intussen maken we ook de schaalsprong. In Brussel realiseerde we bijvoorbeeld een project met een tachtigtal appartementen volledig in CLT.”


En welk project springt er voor Eurabo uit, Dries?

Dries Hubrechts: “Een recent project waar we trots op zijn, is de natuurboerderij van Natuurpunt in Bos t'Ename. Daar hebben we populieren gebruikt uit het eigenlijke bos. Die bomen moesten sowieso worden gekapt in het kader van het bosbeheer. Het hout ging naar een zagerij bij ons in de buurt en werd daarna in ons eigen balkbewerkingscentrum verwerkt. Het heeft de Vlaamse Ardennen dus niet verlaten.”

“Het project was technisch interessant omdat er in België geen normering bestond voor de sterktesortering en dimensionering van populier als constructiehout. Samen met verschillende ingenieurs bekeken we welke afmetingen en opbouw nodig waren om met balken van populier vrij grote overspanningen te realiseren. Zo kwamen we uiteindelijk uit bij een vakwerk in populier. Dat vind ik interessant, want populier is een wat vergeten houtsoort. Vandaag belandt ze vaak in de palletindustrie, terwijl je er constructief heel mooie dingen mee kunt doen.”

“Ook de andere materialen kwamen zoveel mogelijk uit de omgeving. Stro van omliggende akkers diende als isolatie en leem die werd uitgegraven voor een nieuwe amfibiepoel als afwerking. Bovendien behielden we de bestaande betonplaat en staalstructuur van de oude schuur. De nieuwe paal-balkstructuur is zo ontworpen dat het gebouw later relatief eenvoudig aangepast kan worden. Circulariteit zit daar dus op verschillende niveaus in het project – er is de toepassing van hernieuwbare materialen, het hergebruik en de demonteerbare opbouw met het ook op aanpassing van het gebouw of hergebruik van de materialen.”

Bart Vanden Driessche: “Dat we vandaag opnieuw moeten onderzoeken hoe we een houtsoort als populier constructief kunnen inzetten, toont hoe snel kennis in de bouw verloren gaat. De sector telt ontzettend veel spelers en door de industrialisering grijpen we vaak terug naar oplossingen die gemakkelijk en breed beschikbaar zijn, ook als andere materialen of technieken evengoed geschikt zijn. Zo raakt bepaalde kennis op de achtergrond. Net daarom zijn zulke referentieprojecten belangrijk: ze tonen in de praktijk dat het ook anders kan.” 


Vergt ontwerpen in hout een andere aanpak dan ontwerpen in beton, staal of metselwerk?

Bart Vanden Driessche: “Toch wel. Elk materiaal heeft zijn eigen logica. Een massief houten balk heeft andere optimale overspanningen dan een gelijmde ligger of een betonnen structuur. Dat moet je als architect kennen.”

“Eigenlijk vind ik dat je nooit eerst een vorm zou mogen ontwerpen om daarna pas te bekijken hoe je die bouwt. Materiaal- en bouwkennis moeten van bij het concept aanwezig zijn. Als wij in hout ontwerpen, denken we bijvoorbeeld automatisch logisch na over de lastendaling. Als je vanuit die logica ontwerpt, kun je het gebouw later eventueel nog met een andere bouwmethode realiseren. Omgekeerd lukt dat veel minder goed: een ontwerp dat volledig vanuit massiefbouw is bedacht, laat zich niet zomaar logisch naar hout vertalen.”

Dries Hubrechts: “De randvoorwaarden van het project bepalen veel. Welke bouwhoogte heb je? Welke delen blijven zichtbaar? Welke overspanningen zijn nodig? Hoe belangrijk is toekomstige aanpasbaarheid? Binnen houtbouw alleen al heb je houtskeletbouw, CLT en paal-balkstructuren, elk met hun eigen sterktes.”

“Een CLT-wand leent zich bijvoorbeeld goed voor een overkraging, omdat je de wand van de bovenliggende verdieping kunt inzetten om de overkraging constructief op te vangen. Als de opbouwhoogte beperkt is, kan een stalen ligger dan weer meer aangewezen zijn voor een overspanning, omdat die compacter uitgevoerd kan worden, daar waar je in een sporthal, waar veel hoogte beschikbaar is, perfect met gelamelleerd hout uit de voeten kunt. Dat weegt bovendien weinig en biedt architecturaal veel mogelijkheden. Het komt er dus op aan de eigenschappen van elk materiaal optimaal te benutten. Ik onderschrijf dus helemaal wat Bart aan het begin van dit interview zei (lacht).”


Is kiezen voor houtbouw voor jullie een ideologische keuze of vooral een rationele?

Bart Vanden Driessche: “Voor mij begint het ermee dat je hout vandaag minstens moet overwegen. Elk bouwproject heeft een milieu-impact. Als je hout niet eens onderzoekt als mogelijke oplossing, ben je al verkeerd bezig.”

“We moeten daarbij ook veel lokaler naar hout en andere bouwmaterialen kijken. We halen vandaag heel wat materialen van ver, terwijl Europa zelf over veel grondstoffen én de kennis beschikt om ermee te werken. Lokaal betekent voor mij overigens niet dat alles uit een straal van twintig kilometer moet komen. Ook hout uit Noord-Frankrijk beschouw ik als lokaal. Het gaat erom dat we veel bewuster gebruikmaken van wat onze eigen regio te bieden heeft, van hout tot natuursteen en schelpen.”

Dries Hubrechts: “Voor mij is het zowel een ideologische als een economische keuze. Je moet daarvoor wel verder kijken dan alleen de initiële bouwkost. Omdat je in hout relatief gemakkelijk aanpasbaar en demonteerbaar kan bouwen, is de zogeheten total cost of ownership van een houten gebouw lager dan die van een traditioneel gebouw. Die aanpasbaarheid kan niet alleen de toekomstige renovatiekosten beperken, maar komt ook de doorverkoopwaarde van het gebouw ten goede. En als je het gebouw uiteindelijk ontmantelt in plaats van sloopt, blijven de houten elementen interessant voor hergebruik.”

“Bovendien zit de maatschappelijke kost van materialen vandaag niet volledig in hun prijs. De CO₂-uitstoot van cementproductie wordt bijvoorbeeld niet rechtstreeks doorgerekend aan de bouwheer. Bij gecertificeerd hout financier je via de aankoop daarentegen mee het bosbeheer en de aangroei van nieuwe bomen. Daardoor kan houtbouw in een klassieke prijsvergelijking soms duurder lijken dan ze in werkelijkheid is. Als je ook die bredere maatschappelijke kosten in rekening brengt, verschuift de economische vergelijking dus in het voordeel van houtbouw.” 

“Op langere termijn speelt ook de schaarste aan minerale en petrochemische grondstoffen. Hernieuwbare grondstoffen worden daardoor economisch steeds interessanter. Daarnaast sluit hout perfect aan bij de evolutie naar meer prefabricatie en offsite bouwen, wat ook de bouwkosten kan drukken. Door het lage gewicht en de makkelijke bewerkbaarheid leent het materiaal zich daar uitstekend toe. Door meer werk vooraf en in een gecontroleerde omgeving uit te voeren, stijgt de efficiëntie en verkort de bouwtijd op de werf.”

“En ik wil hier toch ook graag nog de gunstige effecten aanstippen die een houten gebouw heeft op wie erin vertoeft. Zo is bewezen dat een houten gebouwen een meetbare impact heeft op het welzijn en prestatieniveau van zijn gebruikers. Dat levert bedrijven met houten kantoorgebouwen dus ook financieel voordeel op.”

De rest van het dubbelinterview lees je volgende week!

Gerelateerde artikels