• Bart Vanden Driessche (l.) en Dries Hubrechts.

Wat beschouwen jullie als de belangrijkste voordelen van houtbouw?

Dries Hubrechts: “Naast de lage milieu-impact zijn nauwkeurigheid en bouwsnelheid grote troeven. Bij houtbouw wordt een groot deel van het werk vooraf voorbereid en uitgetekend, waardoor er op de werf veel minder improvisatie nodig is. Bij CLT gaat dat soms tot de posities van stopcontacten toe. De bouwheer moet daardoor vroeger beslissingen nemen, maar eens de werf start, kan de ruwbouwstructuur in enkele dagen staan.” 

“Dat vraagt wel een andere voorbereiding van aannemers. Hoe vroeger zij bestellen, hoe meer we op maat kunnen produceren en hoe minder materiaalverlies ontstaat.”

Bart Vanden Driessche: “Een houten gebouw heeft daarnaast niet alleen voordelen voor de gezondheid van zijn gebruikers, zoals Dries al aanstipte, maar ook voor de mensen die het bouwen. Er is een groot verschil tussen werken met bepaalde petrochemische producten en werken met hout, kalkhennep of andere natuurlijke materialen.”

“Daarnaast is hout veel gemakkelijker te recupereren. We hebben ooit een relatief nieuwe woning moeten afbreken vanwege een onteigening. Wel, de houtstructuur konden we grotendeels terugwinnen, het beton niet. Architecten ontwerpen graag met het idee dat hun gebouw honderd jaar blijft staan, maar de werkelijkheid is anders. Ik heb gebouwen die we vijftien jaar geleden ontwierpen intussen al zien verdwijnen. Dan wordt demonteerbaarheid heel relevant.”


Afgaande op wat Dries al vertelde hoeft een houten gebouw ook niet noodzakelijk duurder te zijn?

Bart Vanden Driessche: “Nee. Als je een traditioneel ontwerp een-op-een probeert om te zetten naar hout, bestaat die kans wel. Maar dan pas je hout verkeerd toe. Je moet, zoals reeds aangehaald, een aantal parameters van het ontwerp aanpassen aan de bouwmethode.”

Dries Hubrechts: “De architect heeft een enorme invloed op de bouwkost. Draaglijnen, repetitiviteit, overspanningen en maatvoering bepalen mee hoe efficiënt je een gebouw realiseert. Soms wordt onderschat hoeveel groter de invloed van het ontwerp is dan die van de uiteindelijke materiaalkeuze.”

“Er bestaan bijvoorbeeld houtbouwsystemen met een vast raster van vijf bij vijf meter. Daarop kun je de balken, CLT-panelen en andere onderdelen efficiënt afstemmen. De engineering hoeft dan niet voor elk project opnieuw van nul te beginnen en aannemers kunnen nauwkeuriger offreren op basis van eerdere projecten.”

Vanden Driessche: “Je hoort trouwens wel eens dat dergelijke gestandaardiseerde bouwsystemen de creativiteit van een architect beknotten, maar ik vind dat niet. Net binnen zo’n vast kader wordt het interessant om als architect naar slimme oplossingen te zoeken. Ontwerpen betekent net dat je creatief omgaat met de randvoorwaarden die er zijn.”

“Materiaalformaten zijn bijvoorbeeld ook zo’n randvoorwaarde. Wij proberen zo te dimensioneren dat er zo weinig mogelijk materiaal verloren gaat. Dat doen we niet alleen met hout, maar met elk materiaal. Als we bijvoorbeeld een baksteen moeten afkappen, bekijken we hoe we het resterende stuk elders kunnen gebruiken. Op die manier proberen we zonder materiaalresten te ontwerpen. Daar moet je van bij het begin over nadenken, maar net dat maakt het voor mij interessant.” 


Heeft houtbouw ook specifieke uitdagingen?

Bart Vanden Driessche: “Historisch was brand natuurlijk een belangrijke reden waarom we minder met hout zijn gaan bouwen. Maar we beschikken vandaag over de kennis en materialen om daar correct mee om te gaan. Het beeld dat hout per definitie brandonveilig is, klopt dus niet.”

Dries Hubrechts: “Bij robuuste houtstructuren kun je heel precies rekening houden met de inbrandsnelheid. Een stalen structuur heeft bij brand trouwens eveneens bescherming nodig om te vermijden dat ze te snel bezwijkt.”

“Akoestiek is een ander aandachtspunt, maar ook dat valt technisch op te lossen. De vereisten hangen sterk af van het programma; tussen hotelkamers heb je een heel andere akoestische prestatie nodig dan tussen een garage en een slaapkamer. Je moet daar dus van bij het ontwerp rekening mee houden.”

Bart Vanden Driessche: “Nog een uitdaging stelt zich bij grotere gebouwen. Wij bouwen aan de Nieuwe Dokken in Gent bijvoorbeeld een gebouw van ongeveer vijftig meter hoog, maar dat wordt niet in hout gerealiseerd. Voor projecten van die omvang is de Belgische bouwsector volgens mij nog niet klaar om volledig voor hout te kiezen, zowel qua budgetten als berekeningen en prijszetting. Zulke projecten zijn anderzijds wel uitzonderlijk. Tot pakweg vijf bouwlagen zie ik vandaag weinig redenen waarom hout technisch geen volwaardige optie zou zijn.”

Dries Hubrechts: “Op het vlak van middelhoogbouw zijn er in ons land vandaag al veel realisaties in hout. De echte hoogbouw loopt inderdaad nog achter, maar ik zie daar zeker vooruitgang. Hybride constructies zullen daar volgens mij ook een belangrijke rol in spelen.”


Hoe belangrijk vinden jullie de herkomst en certificering van hout?

Dries Hubrechts: “Eurabo is gestart als handel, met een eigen schaverij, in FSC-gecertificeerd hout. Onze zaakvoerder Peter Suys was betrokken bij de oprichting van Fair Timber, het huidige FSC België. Intussen werken we zowel met FSC als PEFC, afhankelijk van de houtsoort en de herkomst. Voor Duits hout is PEFC bijvoorbeeld sterk vertegenwoordigd.”

Bart Vanden Driessche: “Labels zijn belangrijk, maar voor mij is de herkomst van het hout minstens even belangrijk. Vroeger gebruikte ik bijvoorbeeld vaker tropisch hardhout met een FSC-label. Vandaag kies ik liever voor een houtsoort van dichterbij, zelfs als die zachter is, dan voor gecertificeerd hout dat we van ver moeten halen. Mijn esthetische voorkeur evolueert daarin mee. Ik vind het interessant om nieuwe, lokale houtsoorten te leren kennen en waarderen.”

Dries Hubrechts: “Daarbij speelt natuurlijk ook mee welke houtsoorten lokaal beschikbaar zijn. Voor constructiehout zijn vuren en grenen in Europa ruim beschikbaar. Voor gevelbekleding kijken we bij Eurabo onder meer naar thermisch verduurzaamde Europese houtsoorten. We bieden bijvoorbeeld Belgische populier aan die thermisch wordt opgewaardeerd. Dat thermisch verduurzaamd populierhout biedt voor gevelafwerking een evenwaardig alternatief voor tropische houtsoorten.”

Bart Vanden Driessche: “Dat voorbeeld van populier toont hoe belangrijk het is om onze technische kennis in te zetten om lokale houtsoorten breder toepasbaar te maken. Vroeger liet men eiken balken soms generaties drogen voor ze werden gebruikt. Zo werken we vandaag uiteraard niet meer. We moeten dus andere manieren zoeken om de eigenschappen van lokaal hout af te stemmen op wat we ervan verwachten. Technieken zoals thermische behandeling bieden daarvoor nieuwe mogelijkheden. Zo kunnen we lokale houtsoorten inzetten waar we anders misschien hout van veel verder zouden halen.”


Heeft een houten gebouw voor jullie persoonlijk architecturaal meer te bieden dan een gebouw in beton, steen of staal?

Bart Vanden Driessche: “Mijn esthetische oordeel is doorheen de jaren veranderd. Als ik vandaag een volledig betonnen gebouw zie, kan ik rationeel nog altijd erkennen dat het mooi ontworpen is, maar de milieu-impact ervan beïnvloedt wel hoe ik ernaar kijk.”

“Wij proberen bij BLAF architecten materialen alleszins vaak zichtbaar te laten en ze echt deel te laten uitmaken van de architectuur. Materialiteit is altijd belangrijk geweest in ons werk.”

Dries Hubrechts: “Hout heeft enorm veel verschijningsvormen. CLT heeft een heel andere uitstraling dan een fijn opgebouwde structuur in LVL van beuk of een klassieke houten balk. Daarnaast vind ik vooral de combinatie met andere materialen interessant. Dat hoeft niet noodzakelijk allemaal nieuw materiaal te zijn. Net hergebruikte elementen combineren met nieuwe toevoegingen in hout kan architecturaal heel sterk zijn.”

Bart Vanden Driessche: “Voor mij is het bij die materiaalkeuze vooral belangrijk dat we het eenvoudig houden. Ik geloof sterk in pure materialen die weinig bewerking en energie vragen en die je later opnieuw kunt gebruiken. We hoeven niet voortdurend nieuwe samengestelde materialen uit te vinden. Eeuwenlang bouwden we met relatief eenvoudige materialen. De industrialisatie heeft een enorme hoeveelheid verschillende producten voortgebracht, waardoor hergebruik soms net moeilijker wordt.”


Gaat een houten gebouw even lang mee als een stenen of betonnen gebouw?

Dries Hubrechts: “Absoluut. De werkelijke levensduur van een gebouw wordt vandaag vaak niet door het materiaal bepaald, maar door veranderende noden. Gezinnen veranderen, functies wijzigen en gebouwen krijgen nieuwe eigenaars. Daardoor moet een gebouw soms veel sneller worden aangepast dan oorspronkelijk gedacht. Net dan heeft hout een voordeel, omdat je een goed ontworpen houtstructuur relatief eenvoudig kunt aanpassen of ontmantelen.”

Bart Vanden Driessche: “Akkoord. Ook het historische argument dat vooral stenen gebouwen de eeuwen hebben overleefd, moet je nuanceren. Zoals gezegd hebben branden ervoor gezorgd dat veel houten gebouwen verdwenen zijn, maar dat was vooral in steden het geval, waar de huizen dicht op elkaar stonden en brand zich gemakkelijk van gebouw tot gebouw kon verspreiden. Op het platteland in Duitsland of Frankrijk staan daarentegen nog ontzettend veel eeuwenoude vakwerkhuizen.”


Tot slot, hoe zien jullie houtbouw in ons land de komende jaren evolueren?

Bart Vanden Driessche: “Het aandeel zal enorm toenemen. Je voelt dat de kennis groeit en dat steeds meer grote bouwbedrijven houtbouwactiviteiten ontwikkelen. Ik hoop vooral dat ook architecten veel meer kennis over hout meekrijgen. Daarom geef ik zelf les. Na ruim 25 jaar praktijk wil ik niet alleen via onze projecten, maar ook via het onderwijs impact hebben op de bouwsector.”

“Referentieprojecten blijven daarbij ontzettend belangrijk. Hoe meer goede voorbeelden er komen, hoe sneller de negatieve vooroordelen verdwijnen.”

Dries Hubrechts: “Ik geloof dat ook. Producenten van modulaire houtbouwsystemen beschikken over steeds meer capaciteit. Engineering, digitale uitwerking en productie gebeuren daarbij grotendeels vooraf, waardoor op de werf vooral nog de montage overblijft. Bij CLT zie je hoe ver dat kan gaan: met een relatief kleine ploeg zet je in korte tijd een grote structuur overeind.”

Bart Vanden Driessche: “Tegelijk zien we dat producten op basis van fossiele grondstoffen en materialen die van ver moeten komen kwetsbaarder en duurder worden, terwijl het vertrouwen in lokale materiaalstromen groeit. Ook dat zal de verdere doorbraak van houtbouw alleen maar versterken.”


Bedankt voor jullie waardevolle inzichten, heren!

Gerelateerde artikels